Ik reed met een oude bakfiets door de straten van het Spijkerkwartier in Arnhem. Een wijk waar statige herenhuizen, een hoerenbuurt, studenten en tientallen verschillende culturen elkaar ontmoeten. Ik moest bij een paar adressen zijn om groente op te pikken. Bij de eerste winkel stond het al klaar. De eigenaar glimlachte terwijl ik onhandig de gigantische bakfiets probeerde te parkeren op de te smalle stoep. ‘Wacht maar, ik help je wel’, zei hij en de hulp kwam als geroepen. Ik kon blijven zitten op mijn ‘Titanic onder de bakfietsen’ terwijl hij de groente voorzichtig in de bak zette. Aubergines, aardappelen, courgettes, komkommers, paprika’s, sla, koriander… er was nu al genoeg om een weeshuis mee te voeden. En dat was pas het eerste adres. Ik bedankte en groette de vriendelijke eigenaar en ging op pad naar het volgende adres. Zo reed ik vier winkels (drie groentewinkels en als laatste een bakker) langs om overgebleven groente op te halen. Groente die anders weggegooid zouden worden. Groente die wij gingen gebruiken.

Tegen tegen tegen

Na de bakker reed ik met een overvolle bakfiets naar het gelegaliseerde kraakpand om alles uit te laden. De volgende ochtend was er een andere groep vrijwilligers die van deze groente een lekkere soep en groentespreads zou maken. Samen met het brood een heerlijke maaltijd. De maaltijd werd midden in de stad uitgedeeld. Gratis en voor niks. Tussen het winkelende publiek. Als statement tegen de consumptiemaatschappij. Tegen de weggooi cultuur. Tegen de honger. Tegen. Tegen. Tegen. Ik was achttien jaar en met vuur in mijn hart was ik tegen van alles.

(Even wachten. Want eigenlijk is dat niet waar. Of ja, niet helemaal waar. Want ik was  inderdaad tegen van alles. Klopt. Maar! Ik was eigenlijk voor een gelijkwaardige en eerlijke wereld. Een wereld waar goede, gezonde voeding toegankelijk is voor iedereen. Daar was ik voor. )

Verbinding

Tijdens die momenten van afgedankte groente ophalen of de gratis maaltijd uitdelen voelde ik een connectie. Ik voelde me niet alleen verbonden met mezelf (ik zette mijn ideeën om in acties. Althans, dat probeerde ik) maar vooral met de mensen om mij heen. De vriendelijke groenteboer als het eten werd opgehaald. De chagrijnige medeactivist die naast mij stond te koken. De dakloze die de soep kwam eten. De vader met zijn kindje die ook de soep kwam eten. Ja, ook de winkelende mensen die voorbij liepen en afkeurend keken. En ja, ook de politie agenten die kwamen vertellen dat we weg moesten gaan. Door de maaltijden was er verbinding. Die verbindende kracht van voeding heeft mij altijd  geïnspireerd. Ik zag met ieder kopje soep en iedere glimlach dat de wereld een beetje beter werd. Al was het alleen maar voor dat moment.

Voor voor voor

Dit waren mijn eerste stappen in het activisme. Ik ging de wereld verbeteren. Van alles heb ik geprobeerd; demonstraties en acties bijgewoond en zelf georganiseerd. Ik heb gelezen, gediscussieerd, geluisterd, gepraat en geschreeuwd. In (soms) meer of (vaak veel) mindere mate had het succes. Het kostte veel energie, dat wel. Het kostte tijd en geld, dat ook. Was het de moeite waard? Geen idee, het is moeilijk om de balans op te maken als je doelen groter zijn dan je zelf kunt voorstellen. Teleurstelling en cynisme liggen altijd op de loer.

We zijn nu twintig jaar verder. De hele wereld is veranderd. Ik ben veranderd. De kern is echter hetzelfde gebleven; een bijdrage leveren aan de wereld. Met voeding als mijn ‘weapon of choice’. De kritiek heb ik ingeruild voor nieuwsgierigheid. ‘Tegen tegen tegen’  is nu ‘Voor voor voor’. De glimlach en de verbinding zijn er nog steeds. En de teleurstelling en cynisme? Die zijn ver te zoeken.

Dit bericht delen?
Facebooktwitter