Iedere zondagochtend maak ik een lange wandeling met onze hond Loki. Regelmatig loop ik langs de IJssel over de uiterwaarden. Terwijl Loki een poging doet om door de geluidsbarrière te rennen, sjok ik langzaam over het zompige gras. Ik vermijd onwillekeurig andere mensen. Ik vermijd koeiendrollen. Stap voor stap kom ik meer en meer tot rust.

Als ik om me heen kijk, zie ik trotse buizerds in de lucht. Al cirkelend omhoog dwingen ze respect af bij mij. Wat een controle en beheersing. Ik wandel rustig en voorzichtig tussen de grazende koeien door. De meesten van hen kijken niet eens op als ik langsloop. Een enkele nieuwsgierige koe kijkt me een kort moment (her)kauwend aan, om vervolgens weer verder te grazen. Ik zie de aalscholvers dobberen op het water, of zittend op een paal bij de pier. De geuren van herfst, rivier en koeienstront dwingen bij mij dankbaarheid en bescheidenheid af. Hier kom ik tot rust. Hier doe ik mijn inspiratie op. Hier laad ik op. Hier herstel ik.

Het destructieve seizoen

Herstel. Daar gaat het mij om. De herfst staat voor mij symbool voor aftakeling. De natuur laat haar destructieve kant zien. De bladeren vallen, de laatste oogst wordt binnengehaald, mensen bewegen zich (letterlijk en figuurlijk) wat meer naar binnen. De koude en natte maanden horen bij de seizoenen. Het maakt schoon schip voor een volgend voorjaar waarin alles weer opnieuw tot bloei kan komen.

Zoals Hanna Segal schreef; ‘Als de wereld binnen ons kapotgemaakt wordt, als die doods en liefdeloos is, als onze geliefden aan stukken zijn gevallen en wijzelf in uitzichtloze wanhoop verkeren – dan dienen we onze wereld opnieuw te herscheppen, de stukken weer aan elkaar te passen, de dode brokstukken nieuw leven in te blazen en zo het leven te herscheppen’[1].

De symboliek druipt er af voor mij. De wereld is binnen mij kapot gegaan. Ik verkeerde in uitzichtloze wanhoop. Echter; al wandelend herschiep ik mijn wereld, paste de stukken weer aan elkaar. Omgeven door de natuur was het meer dan enkel inspirerend of symbolisch; het werd mijn toevluchtsoord. Meer dan ooit te voren.

Anderhalf jaar geleden waren dit hele kleine stapjes. Na honderd meter was ik uitgeput. De buitenlucht deed haar werk, maar mijn lijf gaf haar grenzen aan. Alles deed zeer. Iedere stap leek te veel. Langzaam werden de wandelingen een beetje langer. Langzaam meer. Ik werd gedwongen het proces te respecteren. (Net als een zaadje in de grond stoppen. Het duurt weken tot een mooie kropsla pronkt, wachtend om opgegeten te worden. Dat gaat niet na een enkele dag) Er was niet eens een echt doel. Buiten zijn en de ene stap na de andere maken; dat was het doel. Vooral buiten zijn, de frisse lucht inademen. Het vulde mijn hart en herstelde mijn lijf. Het herstelde mijn vertrouwen in m’n lijf.

Geuren en bacteriën

Hetzelfde geldt als ik in mijn moestuin werk. En de geuren! De geuren werken bijna hypnotiserend. Ik vergeet de wereld om mij heen een beetje. En tegelijkertijd heb ik het gevoel dat ik letterlijk verbinding maak met de wereld onder mijn voeten. Terwijl ik het onkruid uit de grond trek, zie ik het bodemleven haar werk doen. Kevers, regenwormen, spinnen, en ik gaan de samenwerking aan. Om over de miljoenen onzichtbare bacteriën niet eens te spreken. Het is teamwerk. Het is als een gezonde relatie die onderhouden moet worden. Het vraagt tijd, geduld en energie. Het betekent dat ik eerst geef, om vervolgens te mogen nemen.

Dit is allemaal niet zo gek. Zeker als het om de geuren gaat. Zoals Sue Stuart Smith aan geeft; ‘een deel van het genoegen dat we in wroeten in de grond scheppen is de geur van vochtige aarde. Die geur, geosmine genoemd, ontstaat door bacteriën die in de grond actief zijn, zoals actinomyces, en wordt door de meeste mensen als prettig en rustgevend ervaren’[2]. En dat is exact wat ik nodig heb. Wederom; de tuin herstelt mij. Mijn vertrouwen in mijzelf herstelde.

Soms ben ik moe, boos of geïrriteerd. Ik heb dan geen zin om naar buiten te gaan. Soms regent het, of is het koud. Of allebei. En toch ga ik altijd naar buiten. Omdat ik weet dat ik me daardoor goed voel. Ik heb een immers relatie te onderhouden. Met de natuur. En de natuur met mij.


[1] Segal, H (1981), ‘The work of Hanna Segal; a Kleinian approach to clinical practice, blz. 73

[2] Smith, S (2020), ‘Tuinieren voor de geest’, blz. 93

Dit bericht delen?
Facebooktwitter