Op een gure dinsdagochtend fiets ik naar het station. Het is winter. Het is koud. De tegenwind blaast de regen tegen me aan. Ik zit nog geen vijf minuten op de fiets en ik ben al kletsnat. Ik ben geïrriteerd. Waarom heb ik geen regenbroek aangetrokken?

Haast

Ik heb haast. Bij het station kan ik geen plek vinden in de fietsenstalling. Heel Zutphen lijkt zijn/haar fiets in de fietsenstalling geplaatst te hebben. Dit duurt te lang. Haastig loop ik het ene pad in en het andere pad uit. Overal fietsen, nergens plek. Ik glijd bijna uit op de natte vloer. Mijn trein gaat over drie minuten. Pubers die te hard en te lang lachen om een (waarschijnlijk) slechte grap die ik niet kon verstaan. Eindelijk een plek voor mijn fiets.

Ik ram de fiets in het rek. Het past niet. Natuurlijk past het niet! Nog een keer ram ik de fiets in het rek, zonder resultaat. Nog een keer. Past nog steeds niet. Ik sta op het punt te ontploffen. Wie heeft deze fietsenrekken zo ontworpen!? Ik adem in (ietwat te hard en te theatraal), ik adem uit (wederom te theatraal, alsof ik kaarsjes op een taart uitblaas…).  Ik probeer een andere tactiek. Ik kijk eerst waar ik de fiets neer wil zetten. Ik zie het probleem. Ik duw de buur-fiets links van mijn plekje tien centimeter naar links. Vervolgens past mijn fiets er moeiteloos in. Alsof het rek en de fiets voor elkaar gemaakt zijn.

Geen uitzonderingen

Nog twee minuten. Rennen naar de trein. Trap op. Waar is mijn chipkaart? Ik frummel haastig in mijn jaszak, graai mijn telefoon (met pasjes) eruit en zoek tussen de alle pasjes (wat er duizend lijken op dat moment) naar mijn ov-chipkaart. Ik sta naast het incheck paaltje en ik probeer rustig te blijven. Mijn lichaam wilt bewegingen maken als een peuter die naar het toilet moet en het bijna niet meer kan ophouden. Maar ik forceer mezelf om rustig te blijven staan. Rustig zoeken.  Ondertussen loopt iedereen rustig bliepend langs me heen. Het lijkt alsof iedereen alles voor elkaar heeft! Netjes op tijd van huis gegaan (met regenbroek aan!), moeiteloos een plekje voor de fiets gevonden, fluitend inchecken om vervolgens de trap naar het perron op te huppelen en heerlijk neer te ploffen in de trein. Ik haat ze allemaal. Iedereen die voorbijkomt. Geen uitzonderingen.

Een minuut. Pasje gevonden. Ik check in. Ik sprint door de hal, ren met drie treden tegelijk de trap op. Ik kom boven en ik gooi mijn hoofd van links naar rechts op zoek naar de trein. Ben ik te laat? Ik kijk op het bord en ik zie dat ik nog zeven minuten blijk te hebben. Ik voel het zweet op mijn voorhoofd. Ik staar naar mijn schoenen. Ik adem nog eens diep in en uit (nu minder dramatisch). En ik voel (of ik denk te voelen) dat er mensen mij aanstaren. Adem in. Adem uit. Mijn haat jegens de rest van de perfecte wereld verzwakt een beetje. Adem in. Adem uit. Ik heb de trein gehaald.

Mijn grootste vijand

Op dit soort moment haat ik alles en iedereen. In eerste instantie ga ik de strijd aan met de buitenwereld. De wind die altijd tegen me is. De regen die bij mij altijd zo veel natter is. Het fietsenrek dat niet goed gemaakt is. Al die mensen met hun perfecte leventje… En die pubers! Ugh, met hun irritante gelach; vreselijk! Ik geef ze allemaal de schuld. Maar waar geef ik ze de schuld van? Juist, van niks…  de jaloezie borrelt in mij op.

Dan keert de haat zich naar mijn grootste vijand; mezelf. Ik zou beter moeten weten om iedereen de schuld te geven. Het ligt niet aan hen, het ligt aan mij. Ik ben te laat vertrokken. Ik heb geen regenbroek aangedaan. Ik kan gewoon rustig mijn ‘fiets-in-het-rek-zetten’-actie doen zonder als een dolleman mijn fiets kapot te maken. Ik kan mijn ov-chipkaart van tevoren pakken. Ik zou dit beter moeten kunnen. En toch doe ik het niet. Ik laat me meeslepen in de waan van het moment. En die haat jegens mezelf die groeit en groeit met ieder inzicht dat hierboven staat vermeld. Tot ik beslis dat die zelfbedachte ‘inzichten’ slechts verhalen zijn die ik mezelf vertel.

Gevaarlijke verhalen, en patronen doorbreken

 De gebeurtenissen zijn er. De verhalen die ik ervan maak, die kunnen alle kanten op gaan. Zoals Bren Brown aan geeft; ‘de gevaarlijkste verhalen die we verzinnen, zijn de verhalen die onze intrinsieke waarde in twijfel trekken’[1]. Het zijn gevaarlijke verhalen omdat het een vicieuze cirkels kunnen zijn (zoals je hierboven wellicht al hebt gelezen in mijn voorbeeld). Ik baal van mijn handelingen, ik baal van mijn gebrek aan ‘inzicht’, ik baal van mijn balen… Deze patronen doorbreekt ik graag. Heel graag zelfs.

de gevaarlijkste verhalen die we verzinnen, zijn de verhalen die onze intrinsieke waarde in twijfel trekken’

Brene brown

Een van de grote lessen die ik heb geleerd, is dat falen en fouten maken bij het leven horen. Balen en kritisch zijn op mezelf horen ook bij mijn leven. Het bovenstaande voorbeeld geeft aan dat ik niet altijd in het moment leef, dat ik mezelf en anderen niet altijd liefheb. Dat ik niet op alle momenten van de dag mijn best doe, mijn volle 100 procent geef. Ik faal. Keer op keer. Is dat erg? Nope. Geef ik mezelf de ruimte om fouten te maken, om te falen? Steeds meer. Maar het gaat nog verder; ik geef mezelf steeds meer de ruimte om mezelf geen ruimte te geven (snap je het nog?). Als ik baal van mezelf en/of de hele wereld, dan mag dat. Het definieert niet wie ik ben. Ik ben niet verlicht, ik ben niet perfect. En ik kan steeds vaker oprecht zeggen dat ik die ambitie ook helemaal niet heb. Het maakt mij niet tot een minder persoon. Het maakt mij tot een persoon die soms volledig zen richting de trein dwarrelt, en soms zijn fiets keihard en gestresst in de rekken beukt.


[1] Brene Brown, ‘Sterker dan ooit’ (2017), blz. 111

Dit bericht delen?
Facebooktwitter